07 nov

Praten over eetbuien of boulimia: 5 do’s & 5 don’ts voor je omgeving.

Illustratie in zwart wit in een rood vierkantje. Twee poppetjes (personen: degene met een eetstoornis en een naaste) staan tegenover elkaar. In tekstballonnetjes zie je dat ze met elkaar praten.Praten over eetbuien, braken of je eetstoornis, dat is mega ingewikkeld. Voor jou, maar ook voor je omgeving. Toch helpt praten over je eetprobleem bij het herstellen hiervan. Hoe kan je omgeving jou de helpende hand reiken? Ik zette de belangrijkste do’s en don’ts op een rijtje. Ik ben benieuwd of je ze herkent.

.

.

5 Don’ts: wat kan je omgeving beter niet doen of vragen?

 

1. Zeggen: ‘Ach, iedereen heeft weleens een eetbui.’

Ondanks dat dit soort opmerkingen natuurlijk goed bedoeld zijn (je wilt immers dat de ander zich niet zo lullig voelt over die eetbui), toch valt dit in de categorie ‘bagatelliseren.’ Je zegt eigenlijk dat de ander geen (groot) probleem heeft. Hierdoor voel je je met je eetbui niet serieus genomen. Voor jou is het immers een levensgroot, werkelijk probleem.

 

2. Zeggen: ‘Je moet gewoon normaal gaan eten’.

Deze opmerking wordt veel gemaakt. Tja, dat wil je zelf natuurlijk ook, maar het lukt je niet. Door zo’n opmerking besef je maar al te goed dat de ander jou niet begrijpt en ook geen idee heeft hoe groot het probleem eigenlijk is. Je kunt er eigenlijk geen kant mee op.

 

3. Vragen: ‘Wat heb je dan precies allemaal gegeten?’

Heb je net, ondanks je eigen schaamte en teleurstelling, al je moed verzameld en je partner verteld over je zoveelste eetbui, vraagt ‘ie: ‘Wat heb je dan precies allemaal gegeten?’ Ja, dat is wel interessevraag, maar wel eentje in de categorie dat je je nog een grotere ‘loser’ voelt dan je je al voelde. Het wrijft alleen maar zout in de wonde.

Grote kans dat direct je luiken dicht gaan en je spijt hebt dat je ooit wat hebt gezegd. Volgende keer verzwijg je die eetbui wel. Het gaat immers niet om wat je precies hebt gegeten, maar om wat eronder schuil gaat.

 

4. Er bovenop gaan zitten

Als je eenmaal weet dat je vriend(in), partner, kind een eetstoornis heeft, dan ga je bijna als vanzelf en vanuit zorgzaamheid op alles letten. En zo kan het zomaar gebeuren dat mensen die weten dat je een eetstoornis hebt, continu vragen of je niet meer moet eten of juist wat minder. Dat ze je eten gaan opdringen of het juist bij je weg houden. Dat ze je in de gaten houden bij het eten, boodschappen doen of zelfs met je meelopen als je naar toilet of badkamer gaat (omdat ze bang zijn dat je gaat braken).

Lief bedoeld allemaal, maar zo verstikkend! Je zou van de weeromstuit al geen honger meer hebben of juist een eetbui krijgen. En dat is natuurlijk niet zoals het bedoeld was.

 

5. Boos worden of zeggen dat je de ander niet meer vertrouwt.

Reken maar dat samenleven met iemand met een eetstoornis ingewikkeld is. Je ziet dat degene van wie je houdt niet gelukkig is, blijft aankomen of juist afvalt, niet altijd eerlijk is of destructieve dingen doet. Keer op keer.

Ik kan me de frustratie en machteloosheid goed voorstellen. Toch is boos worden of zeggen dat je de ander niet meer vertrouwt niet de oplossing. Een eetstoornis heb je immers niet expres. Het is een stoornis waarvan je, net als bij een verslaving, lastig af kunt komen. Je wilt wel anders, maar soms is de ‘eetstoornis’ sterker dan je zelf bent. En dat is frustrerend voor alle partijen.

Herstellen van een eetstoornis gaat meestal met vallen en opstaan. Zie het als een kind dat leert lopen. Daar wordt je ook niet boos op als deze een keertje valt (hoop ik). Nee, die moedig je aan om weer op te staan en het nog een keer te proberen.

 

5 Do’s: welke reacties of vragen helpen wel?

Illustratie met twee tekeningen naast elkaar. Links staan twee figuren tegenover elkaar op een donkere achtergrond. Ze wijzen naar elkaar en roepen “Jij…!”. Onder deze afbeelding staat: “Tegenover elkaar.” Rechts staan twee figuren naast elkaar op een roze achtergrond. Ze vragen beide aan elkaar: “Hoe is het?” Onder deze afbeelding staat: “Naast elkaar.” De illustratie laat zien dat het helpt om naast elkaar te staan en in verbinding te praten, in plaats van tegenover elkaar.

1. Toon begrip

Toon allereerst begrip als je merkt of hoort dat je vriend(in), partner of kind de mist is ingegaan. Door bijvoorbeeld heel simpel te zeggen: ‘Wat rot voor je.’ Of naar, vervelend, balen of welk ander woord dan ook bij jou of jullie past. Meer hoeft niet.

Blijf ademen en laat alle andere opmerkingen, oordelen, meningen of adviezen achterwege. Je hoeft er alleen maar te zijn op dit moment en mee te leven met de ander. Meer is er op dit moment ook niet mogelijk, want de ander zit waarschijnlijk helemaal in zijn/haar eigen frustratie, boosheid, schaamte, verdriet of paniek.

 

2. Laat stoom afblazen

Zoals ik al aangaf, gaat zo’n misser, vaak gepaard met de nodige emoties. Zolang deze er nog zitten, is er eigenlijk geen zinnig gesprek te voeren. Probeer het dus maar niet eens. Eerst moeten die emoties en frustraties afvloeien.

Heb je begrip getoond, dan gaat dat stoom afblazen vaak vanzelf. Expressief in de vorm van bijvoorbeeld geëmotioneerd vertellen, huilen, stampvoeten, met dingen smijten of explosief dingen gaan opruimen. Het kan ook zijn dat iemand helemaal in zichzelf keert, onder de douche wil, opgekruld onder een dekentje op de bank wil kruipen of even alleen wil zijn. Of juist in jouw armen tot rust wil komen.

Biedt gerust jouw open armen aan als je dat zo voelt of stel voor om samen een blokje om te gaan lopen. Hoe het zich ook uit, laat het gaan en luister-luister-luister. Totdat de emoties tot bedaren zijn gekomen. Er zijn is genoeg.

 

3. Toon interesse

Het stoom afblazen is geweest, nu komt er pas ruimte voor een gesprek. Het enige dat je nu hoeft te doen is benieuwd zijn. Zoals je ook iemand kunt vragen naar z’n werk of een willekeurig ander probleem. Wees oprecht geïnteresseerd in wat er nu mis ging, hoe het voor de ander was of hoe het zo ver heeft kunnen komen. Je kunt bijvoorbeeld vragen naar:

  • Wat was er nu zo lastig?
  • Wat maakte dat die eetbui (of braakpartij) onontkoombaar was?
  • Wat maakte dat je in paniek raakte van het eten?
  • Wat ging er aan de eetbui vooraf? Is er iets gebeurd vandaag?
  • Hoe zat het met de spanning? Was deze bijvoorbeeld al de hele dag aanwezig, bouwde die zich op of kwam deze na een lastige of vervelende situatie?
  • Etc.

Ga trouwens deze fase alleen in als jij oprecht geïnteresseerd bent en de ander er echt over wil praten. Stel niet al bovenstaande vragen tegelijk (het is geen kruisverhoor) en laat ook hier oordelen, meningen en adviezen achterwege totdat jullie samen helder hebben wat het probleem was.

 

4. Motiveer en denk mee

Moedig aan niet op te geven, maar door te gaan. Benoem de kleine stapjes vooruit die jij soms wel kunt zien, maar de ander misschien op dit moment niet. En denk mee over mogelijke oplossingen. Althans, als de ander daar ook zin in heeft. Laat het anders los. Vragen die kunnen helpen zijn:

  • Wat wil je je een volgende keer doen als zo’n situatie weer voorkomt?
  • Wat zou hierbij dan kunnen helpen? Welke alternatieven kunnen we bedenken?
  • Hoe kan ik je helpen op dit soort moeilijke momenten? Of iemand anders?
  • Hoe kun je voorkomen dat de spanning/drang zo opbouwt?
  • Etc.

 

5. Praat met elkaar

Van een eetstoornis heb je niet alleen zelf last, maar ook je omgeving. Soms kan het blijven voortduren van een eetstoornis relaties behoorlijk onder druk zetten. Praat met en luister naar elkaar en probeer afspraken te maken over hoe jullie hiermee om willen gaan. Mogelijke onderwerpen waar jullie het over kunnen hebben:

  • Wat vind jij/ik lastig aan mijn eetstoornis? Wat is jouw/mijn grootste frustratie?
  • Wat doet de eetstoornis met jou/mij? Welk effect heeft het op jou/mij, onze relatie, etc. Wat trek ik/jij wel of niet en tot hoe lang houden we dit nog vol?.
  • Hoe eerlijk zijn we naar elkaar? Wat vertellen we wel of niet tot nu toe?
  • Zien we voldoende vooruitgang of zijn we aan het aanmodderen?
  • Moeten we meer, andere en/of professionele hulp inschakelen?
  • Doen we nog wel genoeg leuke dingen met elkaar? En zo niet, wat willen we dan meer doen?
  • Vraag ook eens aan degene zonder eetstoornis of hij/zij ook problemen heeft waar tot nu toe nooit over gesproken is.
  • Wat willen we samen anders gaan doen? En hoe gaan we dat realiseren?
  • Etc.

 

Bonustip voor naasten: wees lief voor jezelf

En lieve naaste, ook voor jou maak ik een diepe buiging. Want het is flink pittig om te moeten dealen met wat er speelt als een dierbare een eetstoornis heeft. Je maakt je zorgen, wilt helpen en tegelijkertijd voel je je vaak machteloos. Dan kunnen emoties bij jezelf soms flink oplopen.

Zorg goed voor jezelf. Neem even een time out of maak een wandeling als je zelf voelt dat verdriet, frustratie en boosheid je overnemen. Lucht je hart bij vrienden of familie en vraag hulp. En blijf vooral ook dingen doen die jou weer energie geven. Dat heb je echt nodig en dan pas kun jij ook weer naast je dierbare staan in plaats van er tegenover.

 

En? Herken je de do’s & don’ts?

Heb je zelf een eetstoornis, dan hoop ik dat de do’s en don’ts je helpen om het gesprek aan te gaan met je omgeving. Misschien kan het delen van dit blog met je naasten daarbij al een eerste stap zijn. En wie weet helpen de tips je ook om met wat meer mildheid naar jezelf te kijken als het een keer wat minder gaat.

Ben jij een naaste van iemand met een eetstoornis, dan wens ik je toe dat de tips je wat meer houvast, begrip en hoop geven.

Praten over een eetstoornis geeft lucht. Aan jou én aan je omgeving. Je staat er niet alleen voor, maar je moet wél allebei je mond open durven trekken om verder te komen.

Ik moedig jullie bij deze aan.

 

 

 .

Tips of vragen?

Heb je zelf ervaringen of tips over dit onderwerp? Of een vraag? Deel het gerust hieronder in de reacties.

 

Gerelateerde blogs/e-boeken/tips:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *